Login deelnemers

Nieuws

Zo beoordeelt het Ctgb GBM's

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en daarmee de beoordelingsprocedure, liggen tegenwoordig onder een vergrootglas. Het Ctgb besloot daarom om volledige openheid van zaken te geven. Hoe worden de middelen beoordeeld, hoe kan het dat er verschillen zijn tussen de Europese landen en hoe gaat het beoordelingsproces de komende jaren veranderen?

Een viertal medewerkers van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) gaf daarom recent tekst en uitleg aan een groep (vak)journalisten over hoe het college te werk gaat bij de beoordeling van nieuwe en bestaande stoffen.

Kritiek
Toen het programma 'De Monitor' van KRO-NCRV een item maakte over gewasbescherming werd geopperd of het Ctgb niet een slager is die zijn vlees keurt. Het college weerlegt dit. "De toelatingsprocedure en het bijbehorende onderzoek wordt voor 85% betaald door de aanvragers", zo legt Nicole van Straten, de manager wetenschappelijke beoordeling en advies bij het Ctgb, uit. "De overige gelden komen van diverse ministeries. Zie het als het CBR. Daar moet je ook betalen voor een rijexamen, maar dit geeft geen zekerheid of je slaagt. Wij vallen onder de overheid, maar zijn een onafhankelijk bestuursorgaan."

Het benodigde onderzoek dat vereist is in de toelatingsprocedure, wordt binnenshuis uitgevoerd door de 75 wetenschappelijke beoordelaars. Wat opvalt, is het groot aantal juristen dat in dienst is. Zij zijn vereist voor de vele bezwaarprocedures.

Zonaal systeem
De goedkeuring van een actieve stof kent 2 stappen. Allereerst de goedkeuring op Europees niveau, waarbij na 10 jaar een herbeoordeling plaatsvindt. Daarnaast is er de toelating per lidstaat. Er wordt hiervoor met 3 zones gewerkt, waarbij Nederland in de centrale zone valt (net zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland). Bij het zonaal systeem beoordeelt 1 lidstaat en nemen de anderen het over.

Per land zijn echter wel nuances mogelijk. Zo is Nederland dichtbevolkt, hebben we veel oppervlakte water en een eigen grondsoort. Dit weegt allemaal mee in de eigen beoordeling. "Hierdoor kan een middel in 1 lidstaat zijn toegelaten en in de ander niet", licht Van Straten toe. "De term 'level playing field' is dan ook relatief."

De beoordelingsprocedure vindt plaats aan de hand van richtsnoeren, of guidances. Dit zorgt ervoor dat lidstaten dezelfde beoordelingsmethode hanteren. Daarbij wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen risico en blootstelling. De uitleg is volgens Van Straten zeer eenvoudig en tegelijk toch vaak verkeerd begrepen: "Elke stof is giftig, ook water wanneer je 10 liter binnenkrijgt. Doe je dat niet, dan is het prima in te nemen."

Dossier
Voordat het Ctgb een stof kan beoordelen, is de aanvrager verplicht om onderzoek uit te voeren, of te laten doen. Zo wordt er een enorm dossier opgebouwd, die het Ctgb uiteindelijk toetst. Aangezien dit veel tijd en dus geld met zich meebrengt, worden er nog maar zeer weinig nieuwe stoffen op de markt gebracht. Ook omdat Europese toelatingseisen streng zijn, in vergelijking tot andere landen. Op het gebied van zogenoemde 'groene middelen' vindt wel veel ontwikkeling plaats. Ook die toelatingsprocedure kent grote uitdagingen.

Wordt het dossier goedgekeurd en het middel toegelaten, dan is dit niet altijd een garantie voor succes. Komt er nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar die op onvoorziene risico’s wijst, dan kan een stof van de markt worden gehaald of beperkt. Dat gebeurde onder meer bij neonicotinoïden en het middel metam-natrium. Voor dergelijke situaties geldt een noodprocedure. Bij de beoordeling kijkt het Ctgb naar 1 actieve stof en niet naar het volledige pakket. Wel tracht het meer rekening te houden met de rol van precisielandbouw, die veilig gebruik van een bepaalde stof mogelijk maken.

Beleidsverschillen
Er wordt vaak gemopperd over '1 Europa' waarbij de eisen voor de gewasbeschermingsmiddelen verschillen. Een van de redenen daarvoor is de aanwezigheid van oppervlaktewater in Nederland. Daar hebben we in ons land veel mee te maken. Het weegt dus zwaar mee in de beoordeling. "Hiervoor gebruiken we modellen die de blootstelling in de kavelsloot berekenen", zegt Corine van Griethuysen.

Van Griethuysen is 1 van de wetenschappelijk beoordelaars op dit gebied. "Er is een model voor de emissie via spuitdrift en een model voor emissie via de lozing van spuiwater uit kassen. Zo wordt gekeken hoe de stof zich gedraagt en op welke manier deze zich afbreekt in de sloot. Deze normen zijn expliciet voor kavelsloten bedoeld en dus niet voor ander oppervlaktewater."

Voor de effecten wordt gekeken naar verschillende soorten dieren, zoals: alg, watervlo en de vis. Bij de herbicide wordt gekeken naar het effect op waterplanten. Directe en langdurige gevolgen worden beoordeeld. Indien nodig worden er uitgebreidere tests gedaan: de zogenaamde eerste en hogere tiergegevens.

Ook wordt er gekeken naar meetgegevens van het oppervlaktewater. Deze meetpunten zijn echter momentopnames en vaak niet uit de kavelsloot. "De regelgeving geeft aan dat meetgegevens moeten worden meegenomen, maar niet hoe", zegt Van Griethuysen. "De gegevens tonen de stoffen, terwijl wij met middelen werken. Herleiden naar een specifiek middel is niet mogelijk en ook illegaal gebruik wordt niet meegenomen. Het vaststellen van causale verbanden is zo moeilijk."

Toekomst
Het Ctgb kijkt nu niet naar de afspoeling (run-off) en de emissie via de drainagebuizen. "Over een jaar of 2 verwachten we hiervoor een model te hebben", aldus de onderzoekster. "Daarin wordt geen onderscheid tussen grondsoorten gemaakt. Waarschijnlijk geldt als basis een scheurende kleigrond. Ook verwachten we dat resultaten uit het Emissiereductieplan voor een aanpassing van de toelating kan gaan zorgen; zeker wanneer de waterkwaliteit merkbaar verbetert."

Cocktaileffect
Tot slot wil Ctgb-beoordelaar Arie Ton, verantwoordelijk voor residuen, nog een stukje 'fake news' van tafel vegen. Afgelopen zomer werd in de media vermeld dat aardbeien 6 keer giftiger waren dan andere soorten fruit. De reden hiervoor zou het 'cocktaileffect' zijn. Door simpelweg alle gevonden stoffen op te tellen, kwamen de verantwoordelijke journalisten tot een residulimiet boven de toegestane norm.

"De realiteit is echter dat iedere stof zijn eigen norm kent (Hazard Index). Neem je dit in acht, dan komt de gevarennorm niet verder dan 25%", licht Ton toe. "Dat is dus ruim onder de grens van 100%. Toch zorgde het voor Kamervragen en uiteindelijk een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Die toonde inderdaad aan dat aardbeien prima in orde zijn."

Naast de opeenstapeling van stoffen is er het cumulatieve risico over de lange termijn als je aan meerdere stoffen wordt blootgesteld. Ton vertelt hoe hier in de toekomst rekening mee kan worden gehouden: "Efsa werkt al 10 jaar aan deze modellen. Het is een lastig onderwerp, maar in 2019 verwachten we de eerste modellen voor het zenuwcentrum en de schildklier. De komende jaren volgen er meer modellen. In juni van dit jaar worden de eerste resultaten verwacht."

"De Europese modellen kijken naar het eetpatroon van een persoon, maar die persoon kan bijvoorbeeld per afkomst verschillen. Allereerst worden de risicogroepen onderzocht." Ton vindt het wel lastig om te zeggen wat het effect wordt op het middelenpakket en hoe het in het toelatingsproces wordt meegewogen. "Vooralsnog verwachten we geen schokkende uitkomsten."